ACV
21.08.2014
Goedemorgen
Wat verandert er voor wie? Bekijk het op hetnieuwestatuut.be
Home | Sitemap |FR|DE
Terug | Lid worden | Contact
Help | Registreren
 
 
ACV Konfederatie  >  Sociaal overleg  >  Openbare sector
Printen | Delen
 
 

Sociaal overleg in de openbare sector

De collectieve arbeidsverhoudingen in de openbare sector worden geregeld via het syndicaal statuut van het overheidspersoneel dat is vastgelegd in de wet van 19 december 1974 en haar uitvoeringsbesluiten (1984). Het syndicaal statuut is het werkinstrument bij uitstek voor de syndicale actie in de openbare sector. Het kan enkel door de federale overheid worden gewijzigd.

Het syndicaal statuut is van toepassing op de werknemers bij:

  • de federale, gemeenschaps- en gewestelijke administraties, de openbare instellingen en de overheidsbedrijven;

  • de regionale en plaatselijke besturen (provincie- en gemeentebesturen, OCMW’s, lokale maatschappijen zoals waterproductie en –distributie,…);

  • het officieel onderwijs (het gemeenschapsonderwijs, het provinciaal en het gemeentelijk onderwijs).

De wet van 19 december 1974 is echter niet van toepassing op het vrij gesubsidieerd onderwijs, op het openbaar vervoer (bus, tram, metro) en op de openbare kredietinstellingen. Daar is de wetgeving op de ondernemingsraden en de Comités voor Preventie en Bescherming op het werk van toepassing. In het vrij gesubsidieerd onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap bestaan ook lokale onderhandelings-comités (LOC’s). In de Vlaamse hogescholen
functioneren HOC’s (hogeschoolonderhandelingscomités) en DOC’s (departementale
onderhandelingscomités).

Voor de economische overheidsbedrijven (NMBS, De Post, Belgacom en Belgocontrol) voorziet de wet van 21 maart 1991 in een autonoom statuut met een specifieke regeling voor de collectieve arbeidsverhoudingen. Binnen elk economisch over-heidsbedrijf bestaat een paritair comité. Het overkoepelende Comité Overheidsbedrijven
is formeel bevoegd voor alle economische overheidsbedrijven. De akkoorden die voor het geheel van de openbare sector worden afgesloten in Comité A blijven wel van toepassing op de economische overheidsbedrijven. Brussels Airport Company (vroegere BIAC) valt sinds de privatisering van het bedrijf onder de wet van 1968.

Sociaal overleg in de openbare sector

De wet van 19 december 1974 voorziet verplichte voorafgaande onderhandelingen en overleg tussen de overheden en de representatieve vakorganisaties. Als de overheid een maatregel uitvaardigt, zonder voorafgaand overleg, dan kan die maatregel door de Raad van State nietig worden verklaard. Zowel de overheid als de vakorganisaties hebben het initiatiefrecht om een bepaalde materie op de agenda te plaatsen.

De materies, waarover volgens het syndicaal statuut verplicht en voorafgaandelijk moet worden onderhandeld, zijn:

  • de reglementering betreffende het geldelijk statuut, het administratief statuut, de pensioenregeling, de betrekkingen met de vakorganisaties en de organisatie van de sociale diensten;

  • de algemene bepalingen inzake de arbeidsduur, de arbeidsorganisatie en de personeelsformatie.

Onderhandelingen resulteren in een protocol. Zo’n protocol kan:

  • het akkoord vaststellen tussen de betrokken overheid en de representatieve vakorganisaties (‘protocol van akkoord’);

  • ofwel de verschillende standpunten weergeven, wanneer het niet tot een akkoord komt.

Deze protocollen zijn politieke verbintenissen vanwege de overheid, doch zijn juridisch niet afdwingbaar. De overheid kan de beslissingen in zo’n protocol dus naast zich neerleggen. De materies waarover verplicht en voorafgaandelijk
overleg moet plaatsvinden, zijn:

  • concrete beslissingen inzake de personeelsformatie, de arbeidsduur en de arbeidsorganisatie;

  • alle veiligheids- en gezondheidsproblemen; 

  • de voorstellen die erop gericht zijn de menselijke relaties te verbeteren of de productiviteit op te voeren.

Overleg mondt uit in een gemotiveerd advies.

Onderhandelings- en overlegcomités

Krachtens het syndicaal statuut van het overheidspersoneel werden onderhandelingsen overlegcomités opgericht, waarin de onderhandelingen en het overleg moeten plaatsvinden. Ze zijn paritair samengesteld met vertegenwoordigers van de overheid en vertegenwoordigers van de representatieve vakbondsorganisaties.

Het Gemeenschappelijk Comité voor alle overheidsdiensten (Comité A) is bevoegd voor het geheel van de overheidssectoren: de federale, gemeenschaps- en gewest-administraties en de openbare instellingen,
de overheidsbedrijven, het officieel onderwijs en de lokale en de regionale sector. De overheidsdelegatie in Comité
A bestaat dan ook uit vertegenwoordigers van al deze geledingen. Comité A is, kan je zeggen, voor de publieke sector wat de Nationale Arbeidsraad voor de privésector is.

In principe wordt in Comité A om de twee jaar onderhandeld over intersectorale sociale programmatie.
Bovendien is enkel het Comité A bevoegd voor de gemeenschappelijke minimale socialezekerheidsrechten van alle personeelsleden van de overheid. Deze ‘minimale rechten’ hebben betrekking op de kinderbijslagen, de pensioenen, de arbeidsongevallen en de beroepsziekten, de koppeling van de wedden aan de index, de vakantiereglementering, loopbaanonderbreking, enzovoort. Die minimale rechten kunnen dus slechts worden gewijzigd na een onderhandeling in het Comité A.

Het Comité B is bevoegd voor de federale, de gemeenschaps- en de gewestelijke overheidsdiensten, inclusief het gemeenschapsonderwijs. Er bestaan 20 sectorcomités, waar wordt onderhandeld over aangelegenheden, eigen aan één departement of instelling. In de basis-overlegcomités komen materies aan bod die specifiek zijn voor een bepaalde dienst of een paar diensten.

Het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten (Comité C) is bevoegd voor de lokale en regionale besturen en het officieel gesubsidieerd onderwijs. De lokale en regionale besturen zijn gegroepeerd
per Gewest en hebben elk een bijzonder onderhandelingscomité. Het officieel gesubsidieerd onderwijs is gegroepeerd
per Gemeenschap en bij elke inrichtende macht werd een ‘afzonderlijk bijzonder
comité’ opgericht. Op het lokale niveau wordt in de gemeenten en provincies zelf en in de scholen die er van afhangen onderhandeld over punten, die specifiek zijn voor die bepaalde gemeente, ... in de bijzondere
comités en de afzonderlijke bijzondere comités.

Representativiteit van de vakorganisaties

Volgens het syndicaal statuut is een vakorganisatie representatief om zitting te hebben in Comité A, Comité B en Comité C wanneer ze:

  • op nationaal vlak werkzaam is;

  • de belangen verdedigt van al de categorieën van het personeel in overheidsdienst;

  • en aangesloten is bij een interprofessionele organisatie die zitting heeft in de Nationale Arbeidsraad. Op dit ogenblik zijn dit de christelijke, de socialistische en de liberale vakbond.

Deze drie vakbonden zetelen in de sectorcomités, de bijzondere comités en de afzonderlijke bijzondere comités. Een andere vakorganisatie moet, om te mogen zetelen, ten minste 10% van het personeelsbestand als bijdragebetalende leden tellen. Omdat niet elke vakbondsorganisatie in elk sectorcomité die drempel bereikt, verschilt de representativiteit van comité tot comité.

Binnen het ACV zijn de beroepscentrales die de belangen van het overheidspersoneel verdedigen gegroepeerd in de Federatie van de Christelijke Syndicaten der Openbare Diensten (FCSOD). De FCSOD is representatief voor de gehele overheidssector; de samenstellende centrales zijn dan ook vertegenwoordigd in alle onderhandelings-
en overlegcomités.

Het is belangrijk om als representatieve vakorganisatie te worden erkend. Het syndicaal statuut voorziet dan immers in een aantal concrete actiemiddelen en kent vakbondsafgevaardigden onder meer syndicaal verlof toe en een bescherming tegen sancties die hen zouden worden opgelegd wegens feiten die verband houden met de uitoefening van hun mandaat.

Autonome overheidsbedrijven

Ingevolge de wet van 21 maart 1991 heeft elk autonoom overheidsbedrijf dat met de federale overheid een beheerscontract heeft afgesloten, een eigen paritair comité.

Zo’n paritair comité is bevoegd voor:

  • overleg en algemene informatie van het personeel;

  • onderhandelingen over personeelsstatuut en syndicaal statuut;

  • de veiligheid en gezondheid van de werknemers;

  • onderzoek van de economische en financiële informatie die betrekking heeft op het overheidsbedrijf;

  • overleg over het beheerscontract;

  • vaststelling en wijziging van het arbeidsreglement.

Bovendien werd het overkoepelende Comité Overheidsbedrijven opgericht, dat bevoegd is voor aangelegenheden die gemeenschappelijk zijn aan alle overheidsbedrijven:

  • sluiten van cao’s inzake personeelsstatuut en syndicaal statuut, die bij KB bindend kunnen worden verklaard voor alle overheidsbedrijven;

  • verlenen van advies over wetgeving die betrekking heeft op het personeelsstatuut en het syndicaal statuut van meer dan één overheidsbedrijf;

  • in hoger beroep beslissingen nemen over personeelsaangelegenheden, wanneer een paritair comité daar zelf niet in slaagt.

Over dit Comité overheidsbedrijven zijn momenteel besprekingen aan de gang om de werking ervan te verbeteren.
Om als representatieve vakorganisatie te worden erkend in een paritair comité of in het Comité Overheidsbedrijven, gelden dezelfde voorwaarden als diegene die zijn vervat in de wet van 19 december 1974.

Vrij gesubsidieerd onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap

Het officieel onderwijs valt onder de wet van 19 december 1974; het vrij onderwijs niet. In Vlaanderen heeft het decreet van 5 april 1995 in het vrij gesubsidieerd onderwijs en de vrije centra voor leerlingenbegeleiding lokale onderhandelingscomités (LOC’s) opgericht. De bevoegdheden van de lokale onderhande-lingscomités zijn gelijklopend met deze van de ondernemingsraden in de privé-sector en de onderhandelings- en overlegcomités in de openbare sector.

Een overkoepelend onderhandelingscomité - dat is samengesteld uit afgevaar-digden van de minister van Onderwijs, de inrichtende machten en de representatieve vakorganisaties - is bevoegd voor:

  • de grondregelen inzake het geldelijk statuut, het administratief statuut, de betrekkingen met de vakorganisaties en de organisatie van de sociale diensten; 

  • de algemene bepalingen inzake de arbeidsduur, de arbeidsorganisatie en de personeelsformatie.

Basisprincipe: iedere inrichtende macht moet voor elk van haar scholen en centra voor leerlingenbegeleiding een lokaal onderhandelingscomité oprichten dat paritair is samengesteld uit vertegenwoordigers van de inrichtende macht en van het personeel. De vakbondsafgevaardigde is van rechtswege de vertegenwoordiger van het personeel in het LOC, op voorwaarde dat het aantal bijdrageplichtige leden dat zijn vakorganisatie telt, tenminste 10% vertegenwoordigt van het aantal personeelsleden van de betrokken instelling.

De lokale onderhandelingscomités hebben:

  • informatierecht over de tewerkstelling, de inrichtende macht, het financieel beleid en de infrastructuur van de school;

  • onderhandelingsbevoegdheid over de aanvullende regelingen inzake personeelsmateries; 

  • toezichtsbevoegdheid op de naleving van de sociale wetgeving en van de sociale en administratieve reglementeringen voortvloeiend uit de onderwijswetgeving;

  • bemiddelingsbevoegdheid bij elk geschil of bij elke betwisting van collectieve aard.

Meer info opwww.acv-openbarediensten.be, www.acv-transcom.be, www.coc.be, www.cov.be

 

Home  |  Actualiteit  |  Het ACV  |  Sociaal overleg  |  Sociale wetgeving  |  E-Services  |  Contact
Disclaimer