|
Meisjes kiezen al te vaak voor de ‘zachte’ studierichtingen zoals zorg, welzijn, talen, onderwijs…
Terwijl jongens veelal de keuze maken voor ondermeer economie, techniek, exacte wetenschappen… de ‘hardere’ richtingen dus.
Meisjes denken ook op langere termijn en houden bij de beroepskeuze al rekening met mogelijk moederschap, jongens daarentegen kiezen voor een beroep met carrièremogelijkheden.
Jongens presteren op school nochtans minder goed dan meisjes.
Zo verlaat 46 % van de jongens het secundair onderwijs met minstens één jaar leerachterstand.
Bij meisjes is dat 30 %.
Dit is altijd al zo geweest maar het wordt zichtbaarder naarmate de meisjes hun achterstand op vlak van deelname aan het onderwijs hebben ingehaald.
Ook de uitstroom zonder diploma is groter bij jongens.
Meisjes besteden meer zorg aan huiswerk en leggen de lat hoger.
Ze wijten hun successen aan inzet en toeval en kunnen beter overweg met de leerkrachten dan jongens.
De jongens vertonen meer storend gedrag, zijn sneller afgeleid en werken minder hard.
Hun capaciteiten zien ze als reden van hun slagen.
Als meisjes falen is dat volgens henzelf door een tekort aan capaciteiten, jongens schrijven dit toe aan hun gebrek aan inzet.
De leerkrachten bevestigen vaak het lage zelfbeeld van meisjes door de jongens vaker aan het woord te laten.
Zij verwachten van de meisjes echter wel betere resultaten, meer conformiteit en medewerking in de klas.
Doordat meisjes meer voor de ‘zachtere’ opleidingen kiezen, zijn ze ook in de meerderheid in het onderwijs.
De feminisering van het onderwijs speelt heel sterk in het kleuter- en lager onderwijs.
En dat heeft zo zijn gevolgen.
Er is meer aandacht voor zorgzaamheid, communicatie en emotionele intelligentie.
De typische jongenskenmerken zoals assertiviteit, zelfstandigheid en risicogedrag worden minder getolereerd. Genderstereotypen in het onderwijs doorbreken Structureel moet men het moment van de studiekeuze uitstellen.
Zo komt er meer tijd om gerichter te kiezen en hebben leerlingen een beter zicht op hun mogelijkheden.
Ook in de organisatie van het onderwijs, moet er heel wat gewijzigd worden.
Dit kan vaak met eenvoudige ingrepen.
Laat jongens en meisjes van ASO-BSO en TSO samen op de speelplaats en verplicht leerlingen van het BSO om naar het nieuws te kijken. Laat kinderen op de lagere school al eens proeven van verschillend beroepen.
De knutselles is hiervoor zeer geschikt.
Ook de tussenschotten tussen de verschillende onderwijstypes weghalen is een dringende opdracht.
Een toekomstig ingenieur heeft in heel zijn schooltijd nooit contact met de arbeiders waarmee hij of zij straks aan de slag moet.
Meer mannelijke leerkrachten zijn wenselijk.
Net zoals voor andere beroepen wordt er door onderwijs en media een stereotype beeld opgehangen.
Het imago en de perspectieven van deze opleidingen en jobs moet veranderen.
Het is aan het onderwijs om de juiste informatie bij de mensen te krijgen.
Voor al deze initiatieven is een politiek draagvlak een absolute must.
Daarom was de combinatie minister van arbeid en onderwijs zeer geslaagd.
Nu is de bevoegdheid onderwijs gecombineerd met gelijke kansen,en moet de minister van werk overtuigd worden om deze weg in te slaan.
Bovendien zijn de projecten om genderstereotypen in het onderwijs legislatuurgevoelig.
Ook ouders hebben een verantwoordelijkheid.
In de opvoeding is het belangrijk dat ze zich bewust zijn van de invloed van de omgeving en dat in het gezin de stereotypen vermeden worden. Rol van het bedrijfsleven
Als het bedrijfsleven zijn deuren openstelt voor ouders en leerkrachten en zelf naar de school stapt om een juist beeld van de bedrijfswereld te schetsen, levert het een grote bijdrage.
Hoe meer stagemogelijkheden ze voorzien hoe beter.
Het ACV kan via het overleg in de onderneming een aantal dingen realiseren.
Als een onderneming bijvoorbeeld voldoende aandacht besteed aan de combinatie arbeid en privé (gezin) maakt dat het beroep ook aantrekkelijk.
|