|
De Centrale Raad voor het Bedrijfsleven bracht vandaag zijn jaarlijks rapport uit over de evolutie van het concurrentievermogen en de werkgelegenheid. Centrale vaststellingen voor het ACV: verschil in loonkostevolutie met buurlanden (‘ loonkosthandicap’) daalt: van 4.1 % in het vorige rapport tot 3.3 % in het nieuwe rapport; en tot 1.65 % wanneer ook wordt rekening gehouden met de fiscale subsidies; werkgelegenheid groeit meer dan dubbel zo hard dan in de buurlanden; opleidingshandicap 11.1 %; investeringshandicap qua innovatie 19.1 %
Kortom: de situatie verbetert qua loonkost, terwijl het van kwaad naar erger gaat voor andere factoren die bepalend zijn voor het concurrentievermogen. Het ACV stelt vast: dat de ‘loonkosthandicap’ – zonder rekening te houden met de fiscale overheidstussenkomsten in de loonkost - in vergelijking met het vorige rapport is verkleind van 4.1 % tot 3.3 %. Van werkgeverszijde zal wel opnieuw worden gesteld dat deze loonkosthandicap enkel de evoluties meet (sinds 1996) en dus geen rekening houdt met de verschillen in loonkost zelf. Deze oude vergelijking wordt sedert lang afgewezen door alle officiële instanties, waaronder de Nationale Bank. Bovendien moet dan nog rekening worden gehouden met de hogere productiviteit van de Belgische werknemers. Volgens de Europese Lissabonindicatoren is die in België: 13.3 % hoger dan het gemiddelde in de Eurozone, 15.5 % hoger dan in Duitsland, 7.6 % hoger dan in Nederland, 2.6 % hoger dan in Frankrijk; dat die loonkosthandicap halveert tot 1.65 %, als men niet enkel rekening houdt met de loonkostverlaging via verminderde werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid, maar ook met de overheidstussenkomsten via fiscaliteit. Die zijn inmiddels goed voor 2070 miljoen euro, of 1.6 % van de Belgische loonkost. Deze tussenkomsten werden precies ingevoerd en versterkt om de loonkosthandicap te beperken; dat die 1.65 % resterende loonkosthandicap in elk geval niet heeft verhinderd dat de werkgelegenheid sinds 1996 sterker is gestegen dan in de buurlanden. Het aantal personen aan het werk is gestegen met 11.0 % tegen 10.6 % in de buurlanden. Kijken we echter naar het werkvolume (aantal gewerkte uren), dan bedraagt de werkgelegenheidsstijging meer dan het dubbele: 10.4 % in België en slechts 4.5 % bij de buren; dat het wel van kwaad naar erger gaat met de permanente vorming van de werknemers. De werkgevers engageerden zich eind 1998 om 1.9 % van de loonkost te investeren in de vorming van de werknemers. Het Generatiepact bekrachtigde dat in 2005. Vandaag is de investering teruggevallen tot amper 1.04 %. Voor de vergelijking met de buurlanden moeten we Europese enquêteresultaten vergelijken. Uit de Continuous Vocational Training Survey blijkt dat België aan 1.6 % zit, tegen 1.8 % gemiddeld in de buurlanden. Dat is nog steeds dezelfde achterstand als in de jaren ’90. Dat is een opleidingshandicap van 11.1 %. Kijken we naar de participatie van de werknemers, dan komen we volgens de Europese meetmethode uit op 22 %. Dat is een daling tegenover 2005 (24.1%) en nog niet de helft van het objectief dat eind 2003 is afgesproken onder sociale partners (50 %); dat de investeringen in innovatie achterblijven. De investering in onderzoek en ontwikkeling bedraagt 1.87 % van het BBP, terwijl Europa 3.0 % voorschrijft en terwijl de drie buurlanden gemiddeld 2.26 % bereiken. Niet enkel de Belgische overheid schiet daarin tekort, maar evengoed het Belgische bedrijfsleven: een inspanning ten belope van 1.10 % van het BBP, terwijl Europa 2.0 % voorschrijft, en terwijl de drie buurlanden gemiddeld 1.36 % bereiken. Dat laatste betekent een investeringshandicap van 19.1 %.
Kortom: de situatie verbetert qua loonkost, terwijl het van kwaad naar erger gaat voor andere factoren die bepalend zijn voor het concurrentievermogen.
|