|
Het ACV is tevreden dat de commissie Handelsrecht in de Kamer de quota voor vrouwen in raden van bestuur van overheidsbedrijven en beursgenoteerde ondernemingen heeft goedgekeurd. Het is pijnlijk dat het moet, maar via zelfregulering wordt te weinig resultaat geboekt. Als meer vrouwen in raden van bestuur belangrijk zijn – en dat zijn ze – is een extra duwtje nodig. ACV is al jaren bezig rond gendergelijkheid in de onderneming. Het sensibiliseren van ondernemingen loopt echter niet altijd van een leien dakje. Onder het motto ‘begin bij jezelf’ legde het ACV de eigen bestuurlijke instanties de verplichting op om minstens een derde vrouwelijke vertegenwoordigers op te nemen. Dat bleek niet zo’n gemakkelijk proces. Een overgangsperiode van 6 jaar is daarom aanvaardbaar. Het is pijnlijk dat deze wetgeving anno 2011 nodig blijkt. De realiteit bewijst echter dat het anders niet lukt. Al jaren horen we van ondernemingen en werkgeversorganisaties dat eraan gewerkt wordt en dat ze zelf de nadruk leggen op de diversiteit. Quota zijn voor het ACV ook niet de eerste oplossing, maar blijkbaar zijn ze noodzakelijk om dit ‘glazen plafond’ te doorbreken. Het opleggen van quota is echter slechts een manier om meer vrouwen in raden van bestuur te krijgen. Vrouwen moeten vooral ook de kans krijgen om door te groeien. Je vindt immers enkel vrouwen voor een raad van bestuur, als je hen laat doorgroeien naar een eerste leidinggevende functie. De top van de piramide is mannelijk, maar net onder de top vind je ook erg veel mannen. Er moet dus gewerkt worden aan een goede doorstroming op elk niveau. Een element hierin is een goed uitgebouwd systeem van ouderschapsverlof. Dat houdt in dat vrouwen (en ook mannen) een voldoende lange periode kunnen thuisblijven. Dat ze in die periode fatsoenlijk vergoed worden. En dat die periode van afwezigheid geen hinderpaal is om daarna hun vroeger functie opnieuw op te nemen. Daarnaast moet op elk niveau binnen een bedrijf of organisatie rekening worden gehouden met de combinatie arbeid-zorg. Dat veronderstelt dan wel dat zogenaamde typische ‘vrouwelijke’ eigenschappen opgewaardeerd worden en gelijk gesteld worden met typische ‘mannelijke’ kenmerken.
|