|
Voor het ACV is het wegwerken van de achterstelling van de arbeiders, via een beter, gemeenschappelijk werknemersstatuut, een topprioriteit. Dat is niet enkel een juridische noodzaak, zoals het Grondwettelijk Hof vandaag opnieuw stelt. Maar is in eerste orde een sociaal vraagstuk : de arbeider eindelijk de waardigheid en bescherming geven die hem toekomt. En op de koop toe een economische uitdaging: je slaagt er nooit in technische en technologische opleidingen en beroepen aantrekkelijk maken met het aanhouden van een tweederangsbescherming. Het ACV heeft daar opnieuw zwaar op ingezet tijdens de onderhandelingen voor het interprofessioneel akkoord voor 2011-2012. Het bekwam eerste verbeteringen voor de arbeiders, inzake opzegtermijnen (+ 15 %), ontslaguitkeringen (1 250 à 3 750 euro) en tijdelijke werkloosheid (70 à 75% van het loon + toeslag van de werkgever). En dit aangevuld door verdere verbeteringen in tal van sectorale cao’s. Het engagement van de werkgevers om tegen eind 2012 tot een totaaloplossing te komen, sneuvelde echter door het afspringen van het IPA. Het ACV is daarom bijzonder verheugd dat het gemeenschappelijke werknemersstatuut opnieuw de wind in de zeilen krijgt door het arrest van het Grondwettelijk Hof vandaag. Dat het Hof de achterstelling van arbeiders bij ontslag (ondermaatse opzegtermijn) en ziekte (eerste dag zonder loon) ongrondwettig verklaart, is geen verrassing. Want een bevestiging van een eerder arrest van 1993. Nieuw is vooral de tijdsdruk die wordt gezet om binnen de twee jaar tot een totaaloplossing te komen, inclusief eventuele overgangsmaatregelen. Wat iedereen het recht ontzegt om dit nog op de lange baan te schuiven. ACV voorzitter Luc Cortebeeck bevestigt dat het ACV zijn koers zal blijven aanhouden. “We willen geen half (oplap)werk, maar een globale aanpak, voor het geheel van de verschillen. Om te komen tot een beter, gemeenschappelijk werknemersstatuut, op basis van de oriëntaties van ons Toekomstcongres en onze Algemene Raad. Dat gemeenschappelijk statuut moet zowel de verschillen ten nadele van de arbeiders (inzake carensdag en opzegtermijnen) als deze ten nadele van de bedienden (inzake vakantiegeld en willekeurig ontslag) aanpakken.”
Het gemeenschappelijke statuut moet ook in overeenstemming zijn met de Europese en internationale sociale normen, in het bijzonder inzake ontslag, ontslagmotivering en jaarlijkse vakantie. Het moet de reeds opgebouwde rechten vrijwaren. En het mag geen budgettaire problemen veroorzaken voor de overheid, noch voor de sociale zekerheid. Het tot stand komen van het gemeenschappelijk statuut moet gebeuren in overleg met de sociale partners. Het ACV blijft in elk geval vragende partij voor constructief overleg hierover. Diegenen die hopen via een gemeenschappelijk statuut de ontslagbescherming van de bedienden af te bouwen in de richting van de huidige opzegtermijnen voor de arbeiders willen we elke illusie ontnemen. De Raad van State heeft in zijn advies bij de uitvoering van het ontwerp van interprofessioneel akkoord eerder al opgemerkt dat “artikel 23 van de Grondwet er in elk geval aan in de weg staat dat het globaal beschermingsniveau op arbeids- en sociaalrechtelijk vlak zou verminderen”.
|